Aanmelden

BackCover.be

Gepubliceerd in Nieuws

Kernenergie als optie in het klimaatdebat

11 maart 2015 Door 
Kernenergie als optie in het klimaatdebat © Olgierd Rudak (CC BY 2.0 op Flickr)

In persberichten rond het meest recente rapport van de IPCC werd beweerd dat klimaatverandering ingrijpende, wijdverspreide en onomkeerbare gevolgen zal hebben op mens en natuur, als men tenminste de koolstofuitstoot niet snel en drastisch inperkt. Maar zoals de meesten onder ons weten, is men nog steeds niet begonnen met dat drastisch inperken: elk jaar wordt er zelfs 2% meer CO2 uitgestoten in de atmosfeer dan het jaar daarvoor. We gaan er dus op achteruit. In dit artikel wil ik onderzoeken waarom we erop achteruit gaan en wat we eraan kunnen doen.

De hoofdreden is uiteraard het feit dat fossiele brandstof 87% van de globale energieconsumptie uitmaakt en dat we per jaar 2 à 3% meer fossiele brandstoffen verbranden. Als er al een wereldwijde energietransitie aan de gang is, dan zijn de resultaten daarvan nog niet merkbaar.

En toch zijn er landen die een beleid aan het uitstippelen zijn in een poging de situatie onder controle te krijgen. Zo'n 60 landen hebben momenteel vrijwillige doelstellingen om de broeikasgassen te reduceren, hoewel een paar landen zoals Japan en Australië al aan het terugkrabbelen zijn. Van een half dozijn landen waaronder Canada, Mexico, de VS en Zuid-Korea, is het nu al duidelijk dat ze hun doelstellingen niet zullen halen. Tot slot heeft men ook al gesuggereerd dat, zelfs als alle huidige doelstellingen om de CO2-uitstoot te beperken gehaald worden, we nog op weg zouden zijn naar een wereld die tegen 2100 3,7 graden warmer is. Een vicevoorzitter van het IPCC heeft in augustus 2014 gezegd dat zelfs de EU, die zowat de strengste doelstellingen heeft omtrent CO2-vermindering, "voorstellen doet die eerder geïnspireerd zijn door wat politiek haalbaar is, dan wat noodzakelijk is om de manier te veranderen waarop we deze eeuw energie moeten produceren en gebruiken".

De kritiek van de vicevoorzitter leidt ons naar de vraag of de manieren waarop we de energietransitie benaderen, adequaat zijn. Het IPCC zelf heeft tot nu toe steeds gefocust op duurzame energie. Ik deed zelf een klein onderzoek naar de verschillende stellingnames van het IPCC omtrent kernenergie en vond dat ze de laatste jaren heel wat deden om duurzame energiebronnen te promoten, vooral in het speciale rapport van 2011 Renewable Energy Sources and Climate Change Mitigation (SRREN). De auteurs claimden in dat rapport dat ze "helderheid in het debat wilden brengen omtrent de opties en beslissingen die door regeringen moeten genomen worden als de wereld een lagere CO2-uitstoot wil realiseren". Verder stelden ze dat "duurzame energie de beste oplossing is, goed voor bijna 80% van de globale energie-aanvoer in 4 decennia" en dat die "tegen 2050 meer zal bijdragen aan een koolstofarme energievoorziening dan kernenergie" of andere technologieën zoals koolfstofafvang en -opslag (CCS). Het is daarom dan ook geen toeval dat deze voorkeur vanwege het IPCC hand in hand ging met de introductie van doelen voor de ontwikkeling van duurzame energie in 138 landen.

En toch lijkt zelfs het IPCC steeds meer die unieke focus op duurzame bronnen in vraag te stellen. In de jaren 1990 bekeken ze andere mogelijkheden, zoals het overschakelen op kernenergie en schreven ze dat kernenergie in grote delen van de wereld basislast fossiele brandstoffen kan vervangen bij het opwekken van elektriciteit. In de periode 2000-2009 bekoelde het enthousiasme voor kernenergie, maar in 2014 begon het IPCC er terug warm voor te lopen. In het rapport uit 2014 bestempelde het IPCC kernenergie, samen met duurzame energiebronnen als "koolstofarme elektriciteitsvoorziening" in een "koolstofarm systeem van energievoorziening". Er was ook een opmerkelijke nieuwe discussie over de moeilijkheden bij het integreren van duurzame energiebronnen met andere koolstofarme opties en andere beleidsdoelen.

Misschien zijn we hier getuige van de geboorte van een officieel ongeloof tegenover de claims omtrent duurzame energie die tussen 2011 en 2014 gemaakt werden. We zien hier misschien een wedergeboorte van de idee dat robuuste nucleaire krachtbronnen nodig zijn voor deze taak.

Kernenergie is een lagekoolstofenergiebron die 7 dagen op 7 de klok rond stroom levert en een cyclus heeft gelijkaardig aan die van wind- en zonne-energie. Deze ideeën beginnen ook te dagen bij een reeks ecologen en ecologisten, onder andere George Monbiot van de Britse krant The Guardian, een hele hoop ex-kaderleden van Greenpeace en een groep van klimatologen, waaronder Ken Caldeira en James Hansen die een jaar geleden met enkele collega's in de New York Times een open brief plaatsten gericht aan de beleidsmakers. In die brief schreven ze: "hernieuwbare bronnen zoals wind, zon en biomassa zullen zeker een rol spelen in de toekomstige energievoorziening, maar deze energiebronnen zullen niet snel genoeg opgeschaald kunnen worden om de goedkope en betrouwbare stroom te leveren die de wereldeconomie nodig heeft". Zij stelden verder dat er "geen geloofwaardige manier is om het klimaat te stabiliseren als men geen rekening houdt met de rol van kernenergie" en dat "het blijvend verzet tegen kernenergie een rem zet op de menselijke mogelijkheden om een allesbedreigende klimaatverandering af te wenden".

***

De schroom onder vele wetenschappers die bezig zijn met scenario's waarin de lagekoolstofenergie volledig gebaseerd is op duurzame energiebronnen echoot in de bekommernissen rond het Duitse energiebeleid, de zogenaamde Energiewende. Duitsland plande vanaf 2002 de geleidelijke ontmanteling van haar kerncentrales, waarbij men 17 nucleaire installaties wilde sluiten tegen 2036 en 60% van de energie wilde halen uit duurzame bronnen tegen 2050. Maar op 29 mei 2011 verkondigde de regering Merkel dat het onmiddellijk de helft van de kerncentrales zou sluiten en de rest tegen 2022. Dat naar aanleiding van de ramp in Fukushima en uit electorale overwegingen.

Het vervolg is eerder alarmerend. Duitsland is haar capaciteit aan duurzame energie al sinds 1990 aan het uitbouwen. In 2012 vertegenwoordigde de nominale capaciteit aan wind- en zonne-energie 84% van Duitslands gemiddelde elektriciteitsproductie van 70,5 GW, goed voor zowat 23.000 windturbines in 2014 en 1,4 miljoen zonnepanelen in 2013, wat ongeveer een derde is van het aantal wereldwijd (cijfers van 2012). Maar daarmee genereerden wind en zon uiteindelijk slechts 11,9% van de totale nationale elektriciteitsproductie.

De hoofdreden voor de lage elektriciteitsproductie door wind en zon ligt bij hun capaciteitsfactor, dat is de hoeveelheid elektriciteit die ze werkelijk produceren vergeleken met de hoeveelheid die ze zouden produceren als ze gans de tijd werkten. Deze capaciteitsfactoren liggen eerder laag in Duitsland: slechts 11% voor zonne-energie en 17% voor windenergie. Zonneschijn en wind zijn op zich al onderhevig aan schommelingen. Daarbij komt dat Duitsland zelf niet bepaald zonnig of winderig is, althans niet in de geïndustrialiseerde streken die de meeste elektriciteit nodig hebben. Op sommige uren van sommige zomerdagen is het misschien wel mogelijk dat er aan 50% van de Duitse energiebehoefte voldaan kan worden, maar wanneer men het over een heel jaar beschouwt, dan is zonne-energie goed voor 5% van de stroomvoorziening en windenergie voor 10% (cijfers van 2012).
De Energiewende ging tot hiertoe dus vooral over het bouwen van infrastructuur en de resultaten zijn mager.

We horen echter regelmatig dat Duitse duurzame bronnen 25% procent uitmaken van de energieproductie. De ontbrekende 10% is biomassa die verbrand wordt voor de opwekking van stroom. Dit deel van de Duitse duurzame energiemix groeit drie keer sneller dan wind en zon tezamen. Maar biomassa en het verwante biogas zijn controversieel, omdat ze vooral gewonnen worden uit granen en hout. Om granen te oogsten is er evenwel heel wat energie nodig en beide vereisen heel wat land dat gebruikt zou kunnen worden als permanent opslagmedium voor koolstof (koolstofsekwestratie).

Een studie heeft inderdaad aangetoond dat biobrandstoffen feitelijk even koolstofintensief zijn als fossiele brandstoffen wanneer men het land dat verloren gaat voor koolstofsekwestratie mee incalculeert. Een tweede probleem met biobrandstoffen is het feit dat ze, net zoals wind en zon, laag scoren voor wat energiedensiteit betreft (de geleverde stroom per gebruikte kilo). Ze leveren slechts ongeveer een derde tot een kwart van de energie per kilogram fossiele brandstof. En laat dat nu net de reden zijn waarom we gestopt zijn met het verbranden ervan.

Het resultaat: er moet heel wat biomassa verbrand worden om fossiele brandstoffen te vervangen. Komt daarbij dat Europa niet genoeg hout heeft om te voorzien in haar behoeften aan biomassa en dat het in 2010 zo'n 10 miljoen ton aan houtpellets van over heel de wereld moest invoeren. Wil Europa aan haar quota's voldoen om de uitstoot te reduceren, dan heeft het 60 miljoen hout nodig tegen 2029. Men vermoedt dat er niet genoeg graan op deze planeet groeit om alle auto's van biobrandstof te voorzien, laat staan om alle energiecentrales erop te laten draaien. Volledige bossen zouden gerooid moeten worden om hen van biomassa te voorzien.

Om de tekorten veroorzaakt door de sector van de duurzame energiebronnen te compenseren heeft Duitsland nu net datgene gedaan wat elk klimaatbeleid ten sterkste afraadt: fossiele brandstoffen – en meer bepaald steenkool – herintroduceren. In 2014 werd 46% van Duitslands elektriciteit gegenereerd door steenkoolcentrales. Tussen 2011 en 2015 heeft Duitsland een steenkoolcapaciteit opgebouwd die jaarlijks dubbel zo veel elektriciteit zal produceren dan al haar zonnepanelen tezamen, en veel daarvan zal afkomstig zijn van bruinkool, wat nog rijker is aan koolstof. Het resultaat is dat de koolstofemissie in Duitsland met 4% steeg sinds 2009 en dat het idee groeit dat de Energiewende een falend experiment is.

En toch blijven de mensen achter de Energiewende hoopvol en positief, in hoofdzaak omwille van de belofte dat al die elektriciteit ooit wel eens opgeslagen zal kunnen worden. Als Duitsland alle elektriciteit die het produceert op een winderige of een warme dag kan opslaan in een batterij die aangepast is aan de normen van het elektriciteitsnetwerk of in een ander opslagmedium, dan zouden wind- en zonne-energie veel efficiënter zijn. Maar voorlopig is dat zelfs geen toekomstmuziek omdat het een zeer inefficiënte manier is om mensen te voorzien van stroom.

De lithium-ion-batterij, o.a. gebruikt in de Tesla, is momenteel de meest compacte manier om elektriciteit op te slaan. Op dit moment staat de grootste batterij ter wereld, een lithium-ion-accu zo groot als een volwassen fabriek, in China. Het heeft de oppervlakte van een voetbalstadium en kostte 15 miljoen dollar. Het gevaarte kan 40 MWH aan elektriciteit opslaan, genoeg om 12.000 huizen van stroom te voorzien, maar dat slechts gedurende een uur. Duitsland zou 28.000 van deze mastodonten nodig hebben om te voldoen aan de vereiste opslagcapaciteit, goed voor 420 miljard dollar. In dat bedrag zijn de kosten van de infrastructuur die Duitsland nodig zou hebben om aan haar primaire energie-eisen te voldoen, zelfs niet inbegrepen: 92.000 extra windturbines (1.000.000 dollar per turbine, totaal 92 miljard dollar), en 5,6 miljoen meer zonnepanelen (10.000 dollar per stuk, totaal 56 miljard dollar), goed voor 300.000 GW met een geschatte capaciteitsfactor van 15%.

Komt daarbij 25 miljard dollar voor kabels en installaties om de transmissie te verzekeren en de smart grids, de slimme netwerken, om al die complexe uitwisselingen te coördineren (geschat op 8 miljard elk jaar maal 10 jaar, goed voor 1,5 triljoen). En die 1,5 triljoen is een klein beetje lager dan de berekening die Siemens had gemaakt voor de totale kost van de Energiewende.

Dat zou hen 7 jaar zoet houden, maar daarna zouden de batterijen moeten vervangen worden en na 20 jaar zijn de windturbines en zonnepanelen aan vervanging toe. Het zou een derde meer geld kosten om dezelfde hoeveelheid stroom te laten opwekken door 17 van de duurste kerncentrales ter wereld, hoewel de ervaring Frankrijk geleerd heeft dat ze goedkoper zijn wanneer er verschillende tegelijkertijd besteld worden (reactoren type Hinckley Point C, capaciteitsfactor 90%, voor 17 bedraagt de prijs 416 miljard dollar). En ze zouden 60 jaar meegaan!

Natuurlijk zijn de kosten voor hernieuwbare bronnen aan het dalen, al valt af te wachten hoeveel precies. Het blijft hoe dan ook een tamelijk dure manier om een massa stroom te produceren. Verder is er waarschijnlijk niet genoeg lithium op aarde om alle auto's van batterijen te voorzien in een geëlektrificeerd transportsysteem, laat staan in de diverse nationale stroomnetwerken. Er zulllen dus andere, even efficiënte vormen van opslag moeten uitgevonden worden.

En dan rest er nog een vraag: als we alle energie nodig voor het maken van batterijen, fotovoltaïsche cellen, windturbines en biobrandstoffen optellen — en er is véél energie nodig om deze aan te maken — zullen zij dan in staat zijn genoeg stroom te leveren om zichzelf te vervangen wanneer dat nodig is? Er is berekend dat de vraag ons altijd zal dwingen om terug te grijpen naar fossiele brandstoffen of naar andere bronnen met een hogere energie-intensiteit.

Betaalbare, haalbare, duurzame en succesvolle programma's die koolstofvrij willen zijn gokken dus op innovatie en mogelijk zelfs op innovatie met geringe slaagkansen. Voor iemand die houdt van gokken, kan dit spannend en aantrekkelijk klinken. Maar het is niet mijn ding. Dat is dan ook de reden waarom ik het niet ga hebben over thorium of gesmoltenzoutreactoren (de molten salt reactor of MSR, nvdr.). Het lijkt mij verstandig te praten over technologieën die nu reeds bewezen hebben dat ze werken, om de eenvoudige reden dat de problemen die ze dienen op te lossen zich ook nu voordoen.

Ik zit regelmatig samen met slimme milieuactivisten die het dan hebben over de verwoestingen die zich de volgende 100 jaar zullen voltrekken wanneer er niets gedaan wordt aan de klimaatverandering, zowel in termen van mensenlevens als van levenskwaliteit. Het verbaast me dan telkens dat zij zich eerder beroepen op oplossingen die nog niet op punt staan, of zelfs nog niet bestaan dan op degene die al operationeel zijn. Dat lijkt mij geen pragmatische benadering van het mogelijk grootste probleem waartegen de mensheid ooit heeft aangekeken.

Mooi, je las al meer dan 2000 woorden. Tijd om even te ontspannen met Steve'n'Seagulls:



Vervolg:

Dan kom ik nu bij kernenergie en wat die al doet in een strategie van klimaatmitigatie en waarom die volgens mij een meer centrale plaats moet innemen in het klimaatdebat.

In tegenstelling tot Duitsland, waar de nucleaire faciliteiten gesloten werden en waar bijgevolg de CO2-uitstoot sterk steeg (net zoals in California en Japan trouwens) zijn Frankrijk en Zweden voorbeelden van landen die volop kernenergie produceren en die de uitstoot van broeikasgassen sterk hebben doen dalen. Jesse Jenkins beschrijft hoe Frankrijk na de oliecrises van de jaren 1970 staatsbedrijven dwong om olie in de elektriciteitssector te vervangen door programma's waarin kernenergie een hoofdrol speelde. Door te concentreren op één reactortype moedigde de regering standaardisatie, schaalvergroting en een snelle bouw en installatie van de opkomende nucleaire industrie aan.
Het resultaat: Frankrijk bouwde op 15 jaar tijd 59 kernreactoren met als gevolg dat 75% van haar elektriciteit koolstofvrij geproduceerd wordt.

In dezelfde periode dat Duitsland ervoor gezorgd heeft dat 25% van de elektriciteit koolstofvrij geproduceerd wordt door middel van duurzame energiebronnen (goed voor 132 miljard dollar), heeft Frankrijk een beetje minder uitgegeven (rekening houdend met de inflatie) om te komen tot 75% koolstofvrije elektriciteit, namelijk 126 miljard dollar. Let wel: dit bedrag houdt geen rekening met de ontmantelingskosten (20% van de bouwkosten), met de brandstofkosten en de kosten om de gebruikte splijtstoffen te verwijderen en te verwerken. Niettemin levert het Franse systeem op dit moment elektriciteit die 20% minder koolstofintensief is dan de stroom in Duitsland en dat aan de helft van de prijs.

Het is daarom opmerkelijk dat een van de drie hoofdargumenten tegen kernenergie van milieugroepen nu net de kosten zijn. Greenpeace schrijft over Hinckley Point C-installaties, de eerste nieuwe reactoren die in de 21ste eeuw in Europa gebouwd zullen worden, dat ze te duur zijn en onnodig. De milieuorganisatie Friends of the Earth verkondigde in de media dat haar "oude ideologische oppositie tegen nucleaire energie verdwenen is en vervangen door een pragmatisch geïnspireerde tegenstand gebaseerd op de kostprijs en de lange bouwperiode".

Wat is er dan veranderd sinds de jaren 70? Wat heeft milieuactivisten ervan overtuigd dat een economisch argument meer hout zou snijden dan pakweg een argument omtrent de veiligheid? Tot op zekere hoogte is dit zelfvervullend want hoe minder kerninstallaties gebouwd worden, hoe duurder ze worden. Het wordt ook moeilijker om onervaren werkkrachten op korte termijn op te leiden, wat tot gevolg heeft dat het vereiste niveau niet meer bereikt wordt in de voorziene tijdsperiode. Dit leidt dan weer tot vergissingen, uitstel en extra kosten zoals dat op dit moment het geval is bij de bouw van de nieuwe reactoren in Olkiluoto. Maar net dit probleem elimineerde Frankrijk door haar reactoren te standaardiseren. Het is waarschijnlijk een probleem dat een actieve nucleaire sector sowieso kan overwinnen.

Een andere reden voor de hoge kosten is dat het lang duurt om een grote en complexe constructie als een kerncentrale te bouwen in vergelijking met andere openbare infrastructuren. Dat maakt hen gevoelig aan wisselende rentetarieven en onderhevig aan langere terugbetalingstermijnen. Tegelijkertijd zijn ze de speelbal van veranderende beleidsmaatregelen. Deze financiële risico's zorgen ervoor dat kerncentrales onaantrekkelijk zijn voor investeerders, met als gevolg dat regeringen subsidies en leengaranties moeten geven aan investeerders. Deze openbare uitgaven zinnen de burgers dan weer niet. De huidige bevolking bestaat tenslotte uit bewustere belastingbetalers dan in de jaren 1970.

Maar deze problemen beperken zich niet tot de nucleaire branche. Een gelijkaardige logica maakt het tegenwoordig moeilijk om in eender welk megaproject te investeren, neem nu waterkrachtcentrales voor getijdenenergie, thermische zonne-energie, offshore windparken of geothermie, stuk voor stuk types van duurzame stroomproductie. Helaas worden zulke projecten vaak geannuleerd net omwille van de stijgende kosten. Niet de kerncentrale op zich, maar elk groot project is schier onbetaalbaar geworden. In de plaats daarvan krijgen we kleine dingen, zoals hier en daar een windmolenparkje, dingen waarvoor relatief makkelijk privé- of gemeenschapsgeld te vinden is, en met een korte opbrengstperiode. Die publieke keuzes zijn begrijpelijk, maar ik denk dat we ons toch moeten afvragen of het vraagstuk van de klimaatverandering op zo'n ad hoc-manier kan opgelost worden. Het duurt lang voor die kleine stukjes infrastructuur bijeengepuzzeld worden tot iets substantieels en tegen dan is men al lang terug overgeschakeld naar fossiele brandstof. Steen- en bruinkool in Duitsland, elders gas.

Ik vraag me af of deze moeilijkheden uiteindelijk de doorslag moeten geven. Of zouden regeringen het discours moeten proberen te veranderen om adequate, koolstofvrije energie te leveren aan hun burgers en bedrijven, zoals het Verenigd Koninkrijk dat deed door desondanks de bouw van Hinkley Point C goed te keuren? Ik wil ook nog even stilstaan bij het tweede argument van de antinucleaire lobby, namelijk dat kernenergie overbodig is (althans volgens hun enigszins verwrongen logica). Friends of the Earth stelt dat de centrale Hinckley Point C "niet nodig" is, zelfs niet wanneer het Verenigd Koninkrijk aankijkt tegen stroomtekorten omdat het al haar steenkoolcentrales sluit om te voldoen aan de Europese emissiereductiedoelstellingen.

Tot slot zeggen antinucleaire groepen dat het te lang duurt om kerncentrales te bouwen. Maar ik denk dat het verschil tussen Frankrijk en Duitsland aantoont hoe cruciaal langetermijnplanning en de bouw van meerdere units is. Het verschil tussen deze twee landen toont ook aan dat infrastructuur die lang meegaat rendabeler is dan infrastructuur die even lang duurt om op te zetten, maar een relatief kortere levensduur heeft. Volgens de gangbare opvattingen duurt het 15 jaar om een kerncentrale te bouwen. Als we de klimaatopwarming kunnen beperken door steenkoolcentrales te vervangen door kerncentrales, dan kan men zich inbeelden wat er met intervallen van 15 jaar kan gedaan worden op het vlak van verlaging van koolstofemissies.

Een redelijke ratio voor het vervangen van krachtcentrales is 3% per jaar. Wereldwijd levert steenkool 41% van de energie en is het verantwoordelijk voor 44% van de globale CO2-uitstoot. Tegen dit tempo kan de wereld de volgende 15 jaar op weg zijn om de helft van de steenkoolinstallaties te vervangen door kerncentrales en zouden we door deze maatregel alleen al de CO2-uitstoot met een kwart verminderen. Als we dat de daaropvolgende 15 jaar volhouden, hebben we tegen 2060 geen steenkoolcentrales meer over en halveren we bijna de globale uitstoot van CO2. Daardoor zou de bezorgdheid voor een opwarming met 2 graden wegvallen. Ondertussen zouden we kunnen beginnen met het vervangen van alle auto's door elektrische wagens, wat een verlaging van nog eens 25% zou betekenen. Tegen 2100 zijn met dit scenario de broeikasgassen zo goed als geëlimineerd!
En dat is nog altijd wat het IPCC zegt dat we moeten doen.

Kan hetzelfde bereikt worden met louter duurzame energiebronnen? 
Op de tekentafel misschien wel, maar het proces moet in praktijk gebracht worden. We horen veel over duurzame energie en hoe het aandeel ervan deze eeuw zal stijgen tot 25%. Maar het aandeel van steenkool stijgt ook, tot 45%. Niet alleen in de ontwikkelingslanden, maar ook in de EU stijgt het aandeel van steenkool tot 50%, ondanks haar duurzame energiedoelstellingen.  Het lijkt wel alsof er een symbiose is tussen duurzame energie en fossiele brandstoffen, waarbij de laatste de eerste omvat.

Er is een filmpje waarop Robert F. Kennedy voor een groepje oliebonzen staat en hij hen zegt dat in de Verenigde Staten wind- en zonnecentrales eigenlijk gascentrales zijn omdat er steeds gas, veel gas, nodig is om de intermitterende, inefficiënte zonne- en windinstallaties bij te staan. Milieuactivist George Monbiot heeft met dezelfde logica aangetoond dat de meeste Europese landen geen werkbare plannen hebben om duurzame energie voorbij het penetratiepunt van 45% te brengen, terwijl – of beter omdat – de overige 55% wordt uitgemaakt door fossiele brandstof. Hij noemt dit immoreel en stelt dat deze landen hun beleid ten aanzien van nucleaire energie veronachtzamen en daardoor "een infrastructurele generatiekloof creëren waarbij het onduidelijk is waar het evenwicht moet vandaan komen. Waarschijnlijk van de goedkoopst mogelijke fossiele voorraden". Frankrijk toont net zoals het Canadese Ontario aan dat kernenergie niet veel aanvulling nodig heeft omdat het ongeveer alle koolstofvrije elektriciteit kan leveren die we nodig hebben.

Het lijkt erop dat kernenergie eerder willekeurig uit het klimaatdebat en -beleid geweerd is ondanks het feit dat het een flinke duw in de rug kan geven om de klimaatverandering tegen te gaan. De financiering ervan is inderdaad een reëel obstakel, maar misschien mag dat geen mentale barrière vormen als we kijken naar de voorliggende problemen.



Naschrift door de redactie


Na jaren van stijging daalde in 2014 de CO2-uitstoot van het elektriciteitssysteem in Duitsland licht. Het aandeel van hernieuwbare energie verhoogde met 2% en stond in 2014 in voor 27,3% van de totale Duitse elektriciteitsproductie. Toen ze dit essay schreef, beschikte Suzanne Waldman niet over deze cijfers. Nadat BackCover haar dit recente energierapport voorlegde, e-mailde Suzanne Waldman de volgende reactie:

"De uitstoot van broeikasgassen daalde recent inderdaad licht in Duitsland. Dat vooral dankzij een daling in de elektriciteitsconsumptie die voor een groot stuk toe te schrijven is aan een zachte winter. Daarnaast is het zo dat de consumptie daalt wanneer de consumentenprijzen stijgen. Welke invloed energiebesparing en energiearmoede gehad hebben op de daling in consumptie is niet duidelijk. Er wordt ook gezegd dat hernieuwbare energie de eerste plaats van bruinkool heeft overgenomen, maar als je de cijfers nader bekijkt, zie je dat men bruinkool en steenkool apart in de grafieken heeft opgenomen. Als je ze wel samenneemt, heeft kool een veel groter aandeel dan hernieuwbare energie. Bovendien beschouwt men biomassa in stilte ook als een hernieuwbare energiebron. Terwijl veel mensen bij hernieuwbare energie spontaan aan zon en wind denken."



Honger naar meer?

In deze video legt Kirsty Gogan uit wat volgens de milieuorganisatie Energy4Humanity de voordelen en uitdagingen zijn van kernenergie (Engels). Ze beantwoordt vagen als: Hebben we kernenergie nodig en zo ja, hoeveel? Welke infrastructuur is daarvoor nodig? Gogan besluit haar uiteenzetting met een pleidooi voor een culturele omslag.

Beoordeel dit item
(5 stemmen)

Laat een reactie achter

RSS
LinkeIn
Facebook
Twitter