Aanmelden

BackCover.be

Gepubliceerd in Nieuws

Kernenergie: de bochten van het IPCC

4 november 2014 Door 
Bouw van een kerncentrale in Kudankulm, India. Bouw van een kerncentrale in Kudankulm, India. Petr Pavlicek/IAEA (CC BY-SA 2.0)

Het IPCC nam doorheen haar bestaan tweemaal een fundamentele bocht in haar houding rond kernenergie. In dit artikel beschrijft Suzanne Waldman aan de hand van de diverse IPCC-rapporten hoe het klimaatpanel evolueerde van een aanvankelijk positieve houding naar een eerder afwijzende houding en – in het meest recent rapport – weer terug.


1990
Het International Panel on Climate Change (IPCC) werd in 1988 door de VN opgericht. Het IPCC rapport over Response Strategies in 1990 leek oorspronkelijk vrij neutraal rond de voorgestelde maatregelen. 'De expansie van conventionele installaties voor de opwekking van kernenergie' werd samen met 'gestandaardiseerd ontwerp van kernenergieinstallaties om het rendement en de veiligheid te verhogen' voorgesteld als een kortetermijnoplossing om klimaatverandering af te wenden.

Het rapport projecteerde tegelijk dat West-Europese landen samen met andere Oeso-landen in Noord-Amerika en de Pacific de uitstoot van CO2 konden stabiliseren of reduceren tegen het begin van het volgende decennium dankzij een waaier van maatregelen waaronder de omschakeling van fossiele brandstoffen naar kernenergie.

1996
Het tweede IPCC-rapport in 1996 bevestigde dat kernenergie de baseload van fossiele elektriciteitsopwekking kan vervangen in grote delen van de wereld als algemeen aanvaardbare antwoorden gevonden worden op bezorgdheden rond veiligheid, het transport en de verwerking van radio-actief afval en proliferatie. Tegelijk haalde het rapport aan dat de ontwikkeling van kernenergie had afgenomen sinds het eerste IPCC-rapport wegens kosten en bezorgdheden rond veiligheid.

2001: het IPCC wordt terughoudender
In haar rapport uit 2001 begon het IPCC al een beetje terughoudender te worden rond kernenergie. Het panel stelde voor dat systemen van lagekoolstofenergievoorziening een belangrijke bijdrage kunnen leveren door de verlenging van de levensduur van kerninstallaties.

Veelbetekenend was het weglaten van de vermelding van nieuwe installaties. Het IPCC benadrukte in dit rapport ook de tegenwerping dat bekommernissen rond milieu, veiligheid en proliferatie een rem kunnen betekenen op het gebruik van bepaalde technologieën (Sectie 3.8.4; Samenvatting voor beleidsmakers).

In haar vierde rapport in 2007 gaf het IPCC nog steeds aan te hopen op 'vergevorderde nucleaire technologieën' maar het zette tegelijk veiligheidsbarrières in de verf zoals financiële markten die een hogere interestvoet vereisen om gepercipieerde risico's te dekken, waardoor de kapitaalkost en dus ook de kost van de opwekking verhoogt (WGIII 14).

Dit keer zette het IPCC een sterk cijfer op de beperkingen van kernenergie: het projecteerde slechts een kleine stijging van 2 percent in het globale aandeel van kernenergie tegen 2030 (van 16 naar 18 percent). Dit wegens kosten in vergelijking met andere energiebronnen en alleen in het beste scenario waar bekommernissen rond 'veiligheid, proliferatie van kernwapens en afval' de ontwikkelingen rond kernenergie niet zouden verdrinken.
Tegelijk vooorzag het IPCC een stijging van hernieuwbare energiebronnen van 18 procent van de energievoorziening tot een aandeel van 30 à 35 percent in 2030, samen met een belasting op koolstof van minstens 50 dollar per ton CO2 (WG3 Samenvatting).


2007: Sleuteljaar

Misschien niet toevallig was 2007 een sleuteljaar voor het beleid rond hernieuwbare energie. In 2007 introduceerde de EU haar 20-20-20 doelstellingen waarbij de unie volop inzette op hernieuwbare energie. Er moest een reductie komen op de uitstoot van broeikasgassen van 20% tegen 2020. Deze doelstelling moest ook omgezet worden tot bindend nationaal beleid om het aandeel van de energieconsumptie in de EU uit hernieuwbare bronnen op 20% te brengen en om daarnaast de energie-efficiëntie met 20% te verbeteren. Kernenergie werd niet vermeld als een bevoordeelde optie.

China stelde dat jaar langetermijndoelen in een ontwikkelingsplan voor hernieuwbare energie (REN21) net als een coalitie van Latijns Amerikaanse en Caribische landen en een dozijn andere landen zoals de VS en Canadese provincies.

2011
In 2011 publiceerde het IPCC dan haar Speciaal Rapport Renewable Energy Sources and Climate Change Mitigation, waarin het stelde dat hernieuwbare energie tegen 2050 in bijna 80% van de energievoorzieneing in de wereld kon voorzien. Dit kreeg heel wat weerklank in de pers.
In de grafieken van dit rapport werden fossiele brandstoffen en kernenergie gegroepeerd voorgesteld als minder gewenste opties. Hernieuwbare energie daarentegen omvatte bio-energie (waaronder energiegewassen, hout uit wouden, resten van landbouwgewassen en vee en tweedegeneratie biobrandstoffen), zonne-energie (inclusief zonnepanelen en geconcentreerde zonne-energie), geothermie, waterkracht, oceaanenergie (van stuwkracht tot getijdenenergie en systemen die gebruikmaken van warmteverschillen) en windenergie.*

In de persmededeling rond dit speciaal rapport gaf het IPCC met enkele beweringen een normatieve draai aan hernieuwbare energie. Zo was er de bewering dat het rapport de nodige klaarheid bracht in het debat om regeringen te informeren over de opties en de beslissingen die nodig zijn als de wereld een ontwikkelingspad wil realiseren gekenmerkt door lagekoolstof, efficiënt grondstoffengebruik en duurzame ontwikkeling. Daarbovenop kwam de bewering dat de meeste gereviewde scenario's schatten dat hernieuwbare energie tegen 2050 meer aan een lagekoolstofenergievoorziening zal bijdragen dan kernenergie of fossiele brandstoffen met CCS (carbon capture and storage) dit zouden doen.

In 2011 leek de wereld dus op een ander pad gezet te worden: Hernieuwbare energie kon de wereld van energie voorzien. Landen moesten enkel de beleidskeuzes maken die hernieuwbare energie bevoordeelden. De prijs van hernieuwbare energie was aan het zakken, maar nog niet lager dan de prijs van de energieopwekking via fossiele brandstoffen.

Tegelijk was er in 2011 het Fukushima-incident. Voor Duitsland betekende dit een bevestiging van de keuze voor hernieuwbare energie. Het land had van het uitdoofscenario voor kernernergie al een beleidskeuze gemaakt in 2002 (Energiewende). Daarbij plande het de sluiting van haar 17 kerncentrales tegen 2036 samen met een transitie naar 60% hernieuwbare energie tegen 2050. Maar op 29 mei 2011 kondigde de regering van Angela Merkel aan dat het meteen de helft van de Duitse kerncentrales sloot en de rest zou sluiten tegen 2022. Dit zou Duitsland toelaten om aan een vergelijkbare ramp te ontsnappen. Het zou het land ook een concurrentievoordeel geven in een tijdperk dat meer en meer leek te kunnen, zullen en moeten worden aangedreven door hernieuwbare energie.            


2014: de terugkeer van kernenergie


Het is interessant om te zien dat het IPCC in 2014 bescheidener geworden is in haar enthousiaste promotie van hernieuwbare energie. Het gelooft nog steeds dat het totale globale technisch potentieel voor hernieuwbare energie significant hoger ligt dan de globale energievraag, maar het geeft toe dat het gerapporteerde technisch potentieel van hernieuwbare energie niet altijd vergelijkbaar is met dat van kernenergie. Dit lijkt erop te wijzen dat het IPCC gezien heeft dat de cijfers niet zo rooskleurig zijn als ze leken in 2007.

Er was heel wat discussie over de 'moeilijkheden' die gepaard gaan met hernieuwbare energie. Moeilijkheden bij het jagen van energietransities doorheen het beleid en moeilijkheden met de integratie van hernieuwbare energievoorziening met andere lagekoolstofopties en andere beleidsdoelen. De toon van het IPCC is over het algemeen minder vastbesloten over de bevoordeelde benaderingen, nederiger en het panel staat meer open voor dialoog. Er is ook een beetje meer interesse in kernenergie en de mogelijkheid van nucleaire expansie ligt opnieuw op tafel.

Het IPCC gaf ook hoopvol aan dat nieuwe brandstofcycli en reactortechnologieën die tegemoetkomen aan een aantal problemen onder ontwikkeling zijn en dat vooruitgang gemaakt is rond veiligheid en afval.

Misschien nog het meest belangrijk: het IPCC groepeert kernenergie niet langer bij de fossiele brandstoffen maar bij hernieuwbare energie als 'een lagekoolstofenergiebron in een lagekoolstofenergiesysteem waarnaar we moeten overgaan' (Samenvatting 21).

Men kan zich afvragen wat er gebeurd is tussen 2007 en 2014. Vaststaat dat de Duitse Energiewende op enkele obstakels begon te botsen. Maar dat is voer voor een volgend artikel.

* Men heeft mij erop geattendeerd dat afgevaardigden van Greenpeace mee de pen vasthielden bij het schrijven van dit rapport. Zie http://www.economist.com/blogs/babbage/2011/06/ipcc-and-greenpeace

Beoordeel dit item
(0 stemmen)
Getagged onder

Laat een reactie achter

RSS
LinkeIn
Facebook
Twitter