Aanmelden

BackCover.be

Gepubliceerd in Opinie

Ecomodernisme verdient beter dan karikatuur

16 februari 2019 Door  Manuel Sintubin & Bart Coenen

Sinds de N-VA uitpakt met haar ecorealisme, en Mike Schellenberger, milieuactivist en fervent bepleiter van kernenergie, gestrikt heeft als hoofdspreker op de V-dag over energie en ecologie, duikt ook het ecomodernisme op in het publieke debat. Schellenberger is inderdaad één van de achttien ondertekenaars van het originele ecomodernist manifesto (net als de gerenommeerde geograaf en eredoctor aan de KU Leuven Ruth DeFries).

Info

Maar het ecomodernisme kreeg het snel zwaar te verduren in opiniërend Vlaanderen, net door de associatie met N-VA's ecorealisme. Grote woorden werden bovengehaald om er een karikatuur van te maken: ecomodernisten zouden een bende pronucleaire lobbyisten zijn; zij zouden de sense of urgency in het klimaatvraagstuk niet erkennen, of erger, het bestaan van de klimaatopwarming afdoen als een akkefietje; ze zouden een ongebreideld geloof hebben in een technologische deus ex machina, en de mensen dus het waanbeeld voorhouden dat het klimaatprobleem wel vanzelf zal verdwijnen met wat eenvoudige technologische ingrepen zonder grote maatschappelijke omwentelingen.
En nog het ergste, ze pleiten voor de 'ontkoppeling' van mens en natuur: ze zouden voor een rationele wereld staan met niets meer van gevoelens, kunst, passie en genot, een ware dystopie.

Maar klopt deze karikatuur van het ecomodernisme? Waar staat het gedachtengoed van het ecomodernisme echt voor? Het ecomodernisme beoogt de realisering van wat zij het 'goede Antropoceen' noemen, een tijdperk gekenmerkt door menselijke voorspoed op een ecologische gezonde planeet. Concreet stellen zij drie prioriteiten, waaraan dringend moet gewerkt worden: verbetering van de levenskwaliteit van alle mensen op aarde, het voorkomen van een gevaarlijke klimaatopwarming, en de bescherming van de natuur.

Een uitgangspunt van het ecomodernisme is inderdaad de 'ontkoppeling' van mens en natuur. Rekening houdend met de nog steeds groeiende wereldbevolking zien zij het niet meer mogelijk dat een veerkrachtige natuur – cruciaal voor ons overleven – in volledige harmonie kan bestaan met de menselijke maatschappij. Ecomodernisten stellen dan ook voor zich zoveel mogelijk terug te trekken uit de natuur, om zo die natuur terug alle kansen te geven om tot volle bloei te komen. Dit streven ligt volledig in de lijn van bijvoorbeeld de oproep die Cristiana Paşca Palmer, executive secretary van de UN Convention on Biological Diversity, vorig jaar nog deed in aanloop naar de Biodiversiteitsconferentie in Beijing in 2020, of van de prominente ecologist en Harvard professor Edward O. Wilson, die ervoor pleit 50% van het aardoppervlak voor te behouden voor 'onverstoorde' natuur. Die 'ontkoppeling' bestaat enerzijds uit een relatieve afname van de milieu-impact bij verdere wereldwijde economische groei, en anderzijds uit een absolute reductie van de impact van de mens op de biosfeer. Dit vertaalt zich in een intensifiëring van de menselijke activiteiten, waarbij steeds minder beslag wordt gelegd op de natuurlijke omgeving en de natuurlijke – zowel biologische als geologische – rijkdommen. Die intensifiëring vindt plaats in zowel de energie-opwekking – vandaar de keuze voor kernenergie; het landgebruik – vandaar de keuze voor een intensieve landbouw, steunend op de meest recente ecologische inzichten en technologische ontwikkelingen in de landbouw (bv. ggo's); alsook de economie, met een focus op een volledige decarbonisering, en op recyclage en hergebruik van materialen (circulaire economie). Deze intensifiëring betekent ook dat ecomodernisten inderdaad hun heil zien in doorgedreven technologische ontwikkelingen, niet zomaar uit een blind vooruitgangsgeloof, maar vanuit de drijfveer de impact van de mens op de natuur zoveel mogelijk en zo snel mogelijk te minimaliseren, en dat wereldwijd. Maar ‘ontkoppeling’ betekent niet afzondering. Ecomodernisten zoeken nog steeds verbinding met de natuur, maar trachten er zo min mogelijk afhankelijk van te zijn. Ecomodernisten zijn eco én modern.

Eigenlijk zullen de groene en slimme steden van de 21e eeuw een schoolvoorbeeld worden van het ecomodernistisch ideaal. De aan de gang zijnde tendens dat de mensheid zich uit de natuur 'terugtrekt' in steden, is trouwens niet meer te stuiten. Volgens de VN leeft tegen 2050 bijna 70% van de wereldbevolking (bijna 10 miljard in 2050) in stedelijke agglomeraties. Alleen is het zo dat de mens nu nog steeds teveel beslag legt op de natuurlijke omgeving. En daarin moet net zo snel mogelijk verandering komen. De biodiversiteitscrisis is immers misschien wel urgenter dan de klimaatcrisis.

Ecomodernisme vertrekt vanuit een diep respect voor onze planeet en hecht veel belang aan de intrinsieke waarde van de natuur, maar ecomodernisme gelooft ook in het vernuft van de mens. En ja, ecomodernisten kijken vol 'goesting' uit naar de immense uitdagingen waarvoor de mens staat, om dat 'goede Antropoceen' nog deze eeuw te realiseren.

 

Beoordeel dit item
(1 Stem)

Laat een reactie achter

RSS
LinkeIn
Facebook
Twitter